Buitenplaats Hofwerk

Ligging

Breukelen - deze buitenplaats stond tussen Vechtvliet en Vijverhof

Andere benaming

(Hoffwerk, Hoffwerck)

Geschiedenis

Wanneer deze buitenplaats gebouwd werd is niet bekend, maar men vermoedt kort voor 1700, omdat de bouwstijl van het huis karakteristiek was voor de Nederlandse architectuur uit het laatste kwart van de 17e eeuw.

Op de kaart van Danckerts/Visscher uit 1674/75 komt de buitenplaats nog niet voor, wel op de Nieuwe Kaart van Mijnden en de 2 Loosdrechten uit 1712/13. Daarop staat "Van Veen Hofwerk". Op een zelfde, maar oudere kaart uit 1703 is wel een buitenplaats ingetekend, maar geen naam erbij geschreven. Wie de buitenplaats heeft gebouwd is niet met zekerheid te zeggen. Dr. R. van Lutterveld vermeld dat dit Jacob de Flines was, terwijl de heer E. Munnig Schmidt vermoedt dat dit Pieter van Veen is geweest. Als Jacob de Flines, die in 1680 met Anna de Flines, een dochter van zijn neef Sybrand de Flines, wiens echtgenote eigenaresse was van Vijverhof, de bouwheer is geweest, dan is hij niet tot zijn dood eigenaar geweest. Hij overleed in 1714 en in 1712/13 was Van Veen al eigenaar.

De buitenplaats Hofwerk had qua bouwstijl grote overeenkomsten met de huizen Sterreschans en Over-Holland, het was alleen kleiner van opzet. De voorgevel, die naar de rivier gekeerd was, was slechts drie vensters breed. De middenpartij werd gevormd door een deur met een sober bovenlicht en aan weerszijden een pilaster. Daarboven bevond zich een eenvoudig balkon, dat rustte op consoleachtige naar voren ombuigende uiteinden van de pilasters. Op de hoeken van het dak van het huis bevonden zich vier schoorstenen. Deze (Amsterdamse) stijl, waarbij de rest van de gevel ongedecoreerde bleef, vormde een grot contrast met de ook in die tijd in zwang zijnde Lodewijk XIV-stijl.

De formele Franse tuin werd aan weerszijden gemarkeerd door twee theekoepels, terwijl zich in de Vecht een schuitenhuis met steiger bevond. De totale oppervlakte van het landgoed was 3 morgen groot en lag precies ingeklemd tussen de buitenplaatsen Vechtvliet en Vijverhof.

In 1719 blijkt Abigaël Casteleyn, weduwe Pieter van Veen, eigenaresse van de buitenplaats te zijn. Zij waren in 1685 getrouwd en Pieter was van beroep handelaar in wol, laken en zijden stoffen te Amsterdam.

Na de dood van Abigaël Casteleyn, wordt de buitenplaats geërfd door hun dochter Abigaël van Veen (1688-1731). Zij trouwde met Jan Nicolaas van Eys in 1714 te Baambrugge. Het echtpaar kreeg geen kinderen en na de dood van Abigaël, blijft Jan Nicolaas alleen achter. Tien jaar later trouwt hij met de weduwe Maria Catharina Baelde (1700-1776). Dit echtpaar krijgt in 1743 een zoon, maar ondanks een zoon, uitbreiding van het landgoed in 1742 met één morgen en een inkomen van f.20.000 á 22.000,- per jaar, besloot hij de buitenplaats in 1746 te verkopen. De reden van verkoop lag waarschijnlijk daarin dat hij via zijn moeder in bezit was gekomen van een huis aan de Herengracht in Amsterdam en zij daar naartoe verhuisden.

De volgende eigenaar is Matthijs Ooster, die koopman en assuradeur te Amsterdam was, waar hij ook woonde (Herengracht 488). Hij was getrouwd met Maria Cornelia Quenelon, bij wie hij in elk geval één zoon kreeg, die de buitenplaats na zijn dood rond 1757 erfde. Matthijs Ooster of zijn zoon Matthijs Ooster jr. liet de tuin verfraaien en zij hadden de beschikking over een stal en koetshuis waarin plaats was voor wel 12 paarden!

Vanaf 1775 verhuist hij samen met zijn vrouw Clara Hillegonda Hooft naar Amsterdam, waar ze in een huis aan de Herengracht nr. 338 gaan wonen. Deze verhuizing was gewenst, omdat hij een jaar eerder schepen was geworden. Gedurende 10 jaar oefent hij deze functie, waarna hij door Prins Willem V, samen met een aantal andere schepenen uit zijn functie gezet wordt, omdat hij niet genoeg Oranjegezind was.

Omdat Matthijs Ooster jr. definitief in Amsterdam woonde, verkocht hij in 1781 de buitenplaats Hoffwerk voor f.18300,- aan Pieter Hendrik Reynst. Deze was vice-Admiraal en vanaf 1789 Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland. Hij was een bemiddeld man, ook door zijn huwelijk met Johanna Sara Bicker, die een dochter was van Jan Bernd Bicker, die bankier was en vele hoge posten bezette. Jan Bernd was eigenaar van de buitenplaats Schaep en Burg te 's Graveland en haar grootvader Andries Pels eigenaar van VreedenHoff.

In September 1785 was het groot feest op Hofwerk, want een dochter van de eigenaar, Johanna Sara, trouwde toen met Samuel Johan graaf van Limburg Stirum. Terwijl vijf jaar later een zoon, Pieter Hendrik, trouwde met Susanna Ignatia Radermacher. Hoewel ze in Breukelen trouwden, zal er op de buitenplaats een groot feest zijn georganiseerd. Na de huwelijksfestiviteiten vertrekt het jonge bruidspaar naar Nederlands-Indië.

Na het overlijden van Pieter Hendrik Reynst in 1791, verkoopt ze de buitenplaats aan Anthony François van der Voort. De nieuwe eigenaar was getrouwd met Margaretha Catharina Angelkot, wier moeder een Willink was. Deze familie was tevens eigenaar van een huis aan de Herengracht nr. 486 in Amsterdam.

De door mij geraadpleegde bronnen spreken elkaar tegen. Volgens Dr. R. van Lutterveld heeft P.H. Reynst de buitenplaats laten verbouwen, terwijl dit volgens E. Munnig Schmidt pas later door A.F. van der Voort werd uitgevoerd. Het lijkt overigens wel aannemelijker dat de buitenplaats pas rond 1793 werd verbouwd, omdat de toenmalige eigenaar tussen 1797 en 1810 twee boerderijen en in elk geval 21,5 morgen grond erbij kocht. Dit geheel vormde een grote overtuin.

In elk geval was het oude huis uit het laatste kwart van de 17e eeuw te klein geworden. Het oorspronkelijke, slechts drie vensters brede huis, werd aan de straatwegzijde vergroot door twee vooruitspringende vleugels. Het grote, in deze vleugel gelegen, venster was op sobere wijze met ornamentwerk versierd en werd bekroond door het wapen van de eigenaar. Dit venster vertoonde opnieuw grote overeenkomsten met het middenvenster aan de vijver bij het nabijgelegen Over Holland. Door de verbouwing werd het huis na zeven ramen breed. In opdracht van de eigenaar wordt ook de tuin veranderd in een Engels landschapspark.

Aan de rivierzijde werd alleen de middenrisaliet verbouwd; deze bleef nog steeds erg eenvoudig en de beide pilasters bleven gespaard. Het huis was nu omgebouwd naar de stijl van het 18e eeuwse classicisme. Bij deze stijl hoorde het groepsgewijs plaatsen van de vensters i.p.v. op gelijke afstanden van elkaar. Eventueel werd er dan gebruik gemaakt van bredere en smallere muurpilasters, maar die bleven bij Hofwerk achterwege. Een balkon was niet langer afhankelijk van de ingangspartij en werd bij Hofwerk verwijderd. Bij het classicisme hoorde de decoratieve kenmerken van zuilen, pilasters en lisenen, maar ook deze werden in navolging van Vingboons bouwstijl niet aan het huis toegevoegd.

Het verbouwde huis komen we al tegen op een afbeelding van Hermanus Numan uit 1797. Op de litho van P.J. Lutgers uit 1833 kunnen we nog duidelijk de zijlisenen (pilasters aan de zijkanten van het huis) van het oude huis zien, met de twee rond 1793 aangebouwde vleugels. We zien ook dat de ramen niet gelijkelijk over de gevel is verdeeld, wat veroorzaakt wordt door het behouden van de oorspronkelijke lisenen. Op de ramen van de middenpartij na, zijn in het huis schuifvensters met kleine ruitjes aangebracht.

P.J. Lutgers heeft ook een litho gemaakt van de achter- of straatzijde van het huis gemaakt. Hierop kunnen we zien dat het oude huis voorzien was van een hoge aangebouwde koepelkamer met souterrain. Het lijkt alsof zich in de middenas een dakluik bevindt, maar dit zou ook een zonnewijzer kunnen zijn geweest. Boven het grote raam was een wapenschild met een kroon aangebracht. Tot slot zien we aan beide zijden van de koepelkamer korte uitstekende vleugels, deze zijn minder ver uitgebouwd dan de koepelkamer, zodat men vanuit de koepelkamer nog net langs de vleugels naar buiten gekeken kon worden.

Het echtpaar Van der Voort-Angelkot had alleen drie dochters, waarvan er twee met een Willink trouwden, dus allebei met een (ver) familielid. De middelste dochter, Sara Maria Clasina trouwde met Jan Laan Willink. Zij erfde Hofwerk in 1827 en zou ruim 50 jaar lang de eigenaresse blijven. Na haar dood erfde haar tweede dochter Josina Johanna (Laan) Willink de buitenplaats. Zij was getrouwd met mr. Johan Hendrik Schober, die o.a. directeur-eigenaar en mede oprichter van meelfabriek "De Korenschoof' te Utrecht was.

Een dochter van dit echtpaar maakte een aquarel van het toegangshek van Hoffwerk in 1879. Bovendien werd door de familie in 1879 opdracht gegeven aan J.H. Bilders een fraai schilderij van het huis te maken. In genoemd jaar moet er bij het huis ook nog een theekoepel gestaan hebben.

De familie Schrober had niet zoveel belangstelling voor Hoffwerk. Ze waren eigenaar van een pinetum in Putten, waar ze veel tijd, geld en energie aan besteedden. Daarom werd in 1883 Hofwerk verkocht. De nieuwe eigenaar werd Gerrit van der Bosch, die veehouder te Breukelen-Nijenrode was en op de Hendrikhoeve woonde. Gerrit had geen belang bij een huis met status, maar wilde er aan verdienen.

Hij verkavelde een deel van het landgoed en in 1890 gebeurde iets wat met meer leegstaande huizen gebeurde: er brak brand uit en voordat de brandweer er bij kon komen stond het veel droog hout bevattende huis geheel in lichter laaie. De brandweer rapporteerde: "Als bijzonder voorval kan hier vermeld worden de brand in het leegstaande gebouw Hoffwerck. Wijl deze zaak van gansch wonderlijken aard was, zal hierover niet worden uitgewijd, evenmin over het begin van brand in de villa staande op het terrein van de boterfabriek Insulinde [welke kennelijk op de plaats was gebouwd sinds 1883], bij welke gelegenheid bijzonder veel krullen werden gevonden en ook meer petroleumlucht aanwezig was danwel in een leegstaand gebouw gewoonlijk het geval is".

In 1893 werd de ruïne en de rest van de grond verkocht aan Markus Salomon Kok, die commissionair te Amsterdam was. De resten van het huis en de overige opstallen werden gesloopt. Verder werden er nog meerdere kavels verkocht. Op één van deze werd in 1920 villa Zonnebloem gebouwd.

Het enige dat nog over gebleven is van deze fraaie buitenplaats is een fraai smeedijzeren hek tussen twee zandstenen pilaren in Lodewijk XV-stijl. Dit hek werd in 1894 apart verkocht aan de Provincie Noord-Holland. Dit hek is nu te vinden bij Paviljoen Welgelegen te Haarlem.

Bewoners

  • Jacob de Flines
  • 1705 - 1715 Pieter van Veen x Abigaël Casteleyn
  • 1715 - 1725 Abigaël Castelyn
  • 1725 - 1731 Abigaël van Veen x Jan Nicolaas van Eys
  • 1731 - 1746 Jan Nicolaas van Eys
  • 1746 - 1757 Matthijs Ooster
  • 1757 - 1781 Matthijs Ooster jr.
  • 1781 - 1791 Pieter Hendrik Reynst x Johanna Sara Bicker
  • 1791 Johanna Sara Bicker
  • 1791 - 1827 Anthony François van der Voort
  • 1827 - 1878 Sara Maria Clasina van der Voort x Jan Laan Willink
  • 1878 - 1883 Josina Johanna (Laan) Willink
  • 1883 Anna Geertruida Willink
  • 1883 - 1893 Gerrit van der Bosch

Huidige doeleinden

  • Verdwenen

Bronverwijzing

  • Dr. R. van Lutterveld, De buitenplaatsen aan de Vecht, Lochem, 1948
  • P.J. Lutgers, gezigten aan de rivier de Vecht naar de natuur geteekend en op steen overgebragt, 1836, fac. herdr. Utrecht, uitgeverij Westers Utrecht en Canaletto Alphen aan de Rijn, 1979, 207 blz.
  • E. Munnig-Schmidt, Hoffwerk, Over-Holland en Rupelmonde door Hermanus Numan (1744-1820) getekend, in: Jaarboekje 2001 van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake
  • E. Munnig Schmidt, Hoffwerk, Een verdwenen buitenplaats, in: Jaarboekje 1997 van het Oudheidkundig genootschap Niftarlake, blz 38-55

Foto's © Albert Speelman 2017

@