Buitenplaats Spaar en Hout

Ligging

Haarlem - Kleine Houtweg bij de Spijkermanslaan

Andere benaming

(Spaarenhout, Spaarn-hout, Spaer en Hout, Spaer-en-Hout, Spaeren-Hout, Sparen Hout)

Geschiedenis

In 1631 transporteerde Johan Cornelisz. Geelvinck, oud-burgemeester van Amsterdam, aan de Amsterdamse koopman Zacharias Hooftman een tuintje genaamd 'de Hennipthuyn' en een perceel tuinland aan het Spaarne. Rond 1641 werd er een buitenplaatsje aangelegd met een huis, dat niet direct aan het Spaarne lag. Rond 1700 was het huis kennelijk gesloopt en vervangen door een eenvoudig gebouw met koepelvormig uitbouwsel direct aan het Spaarne.

De Amsterdamse koopman Philips de Flines was waarschijnlijk degene die de herenhuis aan het Spaarne liet bouwen.

Aan de grens met het naburige 'Zorgvrij' was, aan het Spaarne, een open tuingebouwtje geplaatst met een fonteintje aan de tuinkant. Verder hoorden bij 'Spaarenhout' nog een koepel aan de Kleine Houtweg, een stalling, een wagenhuis, een tuinmanshuis, een oranjerie en verdere bijgebouwen.

In 1701 werd Guillelmo (Willem) Pels eigenaar van de buitenplaats. In 1702 wist hij deze uit te breiden door aankoop van het aangrenzende buitentje Middelhout van Johan Cockeijs.

 

Bij verkoop verkoop van de buitenplaats in 1720 aan de Amsterdamse doopsgezinde zijdehandelaar David Mattheus de Neufville werd de naam 'Spaarenhout' voor het eerst genoemd. David, die getrouwd was met Jacoba Elisabeth van Gelder, liet de initialen van hemzelf en zijn echtgenote verwerken in het ornament van de ijzeren toegangspoort.

Tegenover het op de westelijke Spaarneoever gelegen 'Spaarenhout', op de oostelijke oever, lag aan de Schalkwijkerweg een soort overplaats. Deze was voor 1720 in handen van de erven Abraham Edens, daarna van De Neufville. De Neufville kocht in 1722 ook het zuidelijk aan zijn buitenplaats grenzende Oosterhout en voegde een deel van het terrein bij Spaarnenhout.

In 1806 werd de buitenplaats onder David Mattheus van Gelder de Neufville opnieuw uitgebreid, deze keer met het terrein van het buitenplaatsje Lommerlust en de boerenwoning 'het Maagdenhuis' aan de Kleine Houtweg.

In 1814 erfde de schrijfster Margaretha Jacoba de Neufville de buitenplaats. Zij liet in 1820 het huis verbouwen door de architect M.G. de Tetar van Elven.

In 1927 kwam het voordien op het grondgebied van Heemstede gelegen buitenplaats bij Haarlem. In hetzelfde jaar werd de buitenplaats verkocht aan een stichting, die het herenhuis liet slopen. De tuin werd door L.A. Springer, met behoud van de oude bomen, nieuw vormgeven. In 1930 werd een nieuw gebouw geopend, het Doopsgezinde Rusthuis voor Bejaarden van de architect K. Jonkheid.

Bewoners

  • - 1631 Johan Cornelisz. Geelvinck
  • 1631 - Zacharias Hooftman
  • 1676 - 1701 Philips de Flines
  • 1701 - Guillelmo (Willem) Pels
  • 1720 - David Mattheus de Neufville x Jacoba Elisabeth van Gelder
  • 1814 - Margaretha Jacoba de Neufville

Huidige doeleinden

  • Appartementen

Opengesteld

  • Niet toegankelijk

Bronverwijzing

  • Noord-Hollands Arcadi

Foto's © Albert Speelman 2017

@