Huis te Oostkapelle

Ligging

Oostkapelle - ter hoogte van de Torenstraat

Geschiedenis

In 1679 werd de ambachtsheerlijkheid van Oostkapelle door Middelburg verkocht aan Willem le Sage (1646 - 1721). Hij was gehuwd met Agnes de Vroe (1648 - 1726). Door zijn functie van gedeputeerde ter Rekenkamer van Zeeland was hij een gewichtig persoon in de Middelburgse regentenkringen. Hij ging na zijn aankoop van Oostkapelle dan ook meteen aan de slag om zijn standsbewustzijn te etaleren. Hij kocht wat landerijen naast het dorp, ten noorden van de kerk. Er stond reeds een huis op het grondgebied van de nieuwe ambachtsheer. Dit was eerst bewoond door de dorpspredikant, en later door de schoonmoeder van Le Sage, de weduwe van Pieter de Vroe. Het huis dat Le Sage liet bouwen werd mogelijk op dezelfde plaats als het oude huis opgetrokken. Na het overlijden van Willem le Sage in 1721 vererfde de buitenplaats tezamen met de heerlijkheid, op zijn weduwe Agnes de Vroe. Na haar overlijden in 1726 kwam het in handen van haar twee broers Van der Poort. Johan Gualtherus werd eigenaar voor tweederde en zijn jongere broer Evert van der Poort voor eenderde. In 1755 verkocht Evert van der Poort zijn deel van de heerlijkheid aan zijn broer. In 1746 werd het Huis te Oostkapelle officieel op naam van Van der Poort gezet. In 1749 werd de eerste steen van het nieuwe huis gelegd. Vanaf die tijd werd er druk gewerkt aan het nieuwe huis. In februari 1750 werd de rekening voor heien voldaan aan de metselaar Jan Krijger. De rest van het gebouw werd van 1750 tot 1752 gemetseld door Abraham de Codin. Vanaf 1752 werden er grote bedragen uitgegeven aan de afwerking en stoffering van het huis. In de zomer van 1753 verzorgde Abraham Boudewijnse de behangsels voor de kamers. De verwezenlijking van de plannen voor de tuin werd in de loop van 1750 begonnen. In 1784 overleed Johan Gualtherus van der Poort. Zijn weduwe bleef de buitenplaats bewonen. In juli 1786 ontving zij daar stadhouder Willem V en zijn gezin, toen deze op rondreis was op Walcheren. In 1793 overleed zij. De buitenplaats kwam in het bezit van Johan, zoon van Nicolaas Steengracht (1754 - 1840), heer van Oosterland, Sir Jansland, Oosterstein, Moyland, Till en Oosenbruch. In 1805 nam de Franse generaal Monnet zijn intrek in het hus. Hij was blijkbaar nogal geweldadig. De eigenaar, Johan Steengracht, beklaagde zich bij het Departementaal Bestuur van Zeeland over de bezetting van zijn buitenhuis. Steengracht zag zich door de vernielingen en de bezetting genoodzaakt de buitenplaats te verkopen. Monnet weigerde het huis te verlaten, ongeacht de protesten van de vorige en de nieuwe eigenaar. De verkoop vond plaats op 23 december 1805. De nieuwe eigenaren werden Marinus Tak en zijn zoon. In 1806 verliet Monnet de buitenplaats, het geheel in ontredderde staat achterlatend. Er was niets meer mee te doen, zodat de eigenaren niets anders restte dan alles af te breken. Tegenwoordig rest van het de buitenplaats alleen nog een klein gedeelte van de gracht, achter de Torenstraat, en het ronde bassin.

Bewoners

  • 1679 - 1726 Willem le Sage x Agnes de Vroe
  • 1726 - 1746 Johan Gualtherus en Evert van der Poort
  • 1746 - 1784 Joahn Gualtherus van der Poort
  • 1784 - 1793 weduwe van Johan Gualtherus van der Poort
  • 1793 - 1805 Johan Steengracht
  • 1805 - ca. 1806 Marinus Tak en zijn zoon
  • ca. 1806 sloop van de buitenplaats

Huidige doeleinden

  • Verdwenen

Bronverwijzing

  • Jan Arends. Buitenplaatsen op Walcheren

Foto's © Albert Speelman 2017

@