Buitenplaats Oudwijk

Ligging

Utrecht - Oudwijk 19

Geschiedenis

De buitenplaats Oudwijk is ontstaan uit het Klooster Oudwijk, dat in 1131 door Machteld, burggravin van Utrecht voor 20 tot 30 adellijke dames werd gesticht. Oorspronkelijk werd het de Benedictijner Stevensabdij genoemd. Na de Reformatie werd het klooster gesloten en in 1584 grotendeels afgebroken, waarna het een buitenplaats werd.

 Zoals hierboven al genoemd ontstond deze buitenplaats na 1584, toen het klooster Oudwijk om militair-tactische redenen grotendeels werd afgebroken. De Utrechters waren bang dat de Spanjaarden het klooster anders zouden gebruiken als steunpunt.

De bezittingen van het klooster kwamen in 1598 onder beheer van de Ridderschap van Utrecht, omdat bij het oprichten van het klooster het benodigde kapitaal door adellijke schenkers ter beschikking was gesteld. Wat nog van kloostercomplex over was gebleven, werd door de nieuwe eigenaars verkocht als landgoed, terwijl de landerijen van het vroegere klooster verpacht werden.

Het huis Oudwijk bestond waarschijnlijk voor een deel uit het oude hoofdgebouw dat in 1584 gespaard bleef. Gerard van Reede, heer van Drakestyn, eigenaar in 1663, liet 'een oude vervallen slooth ofte gracht, sijnde vol modder ende out riet bewassen' met toestemming van het Ridderschap uitgraven tot een vijver.

 

Op een tekening van de Jan de Beyer zien we een hoog, rechthoekig gebouw met een aansluitende veelhoekige traptoren en een aantal lagere bijgebouwen.

 

Vanaf 1663 wonen verschillende vooraanstaande Utrechters in het huis, waarvan de meest beroemde toch wel Hieronymus van Alphen was. In 1786 laat hij zijn bezit uitbreiden en verfraaien, om het vier jaar later echter al weer te verkopen. De koper was Jacobus Verhoeff. Het bezit werd omschreven als 'een hof of plaisiertuijn, met een huijsinge, coepel en hovenierswoning, strekkende voor van de Maliebaan tot aan 't warmoeseniersland van de buitenplaats Oudwijk'.

 

 

In een pachtbrief uit 1756 weten dat de buitenplaats, naast de huysinge, ook nog uit een koetshuis, stallen, woningen, een werf en een omringende muur bestond. In de tuin lag een vijver, die samen met de omringende muur, nog uit de tijd van het klooster stamden.

 

 

In 1830 werd het huis een poosje kostschool. De laatste bewoonster was mevrouw Boxman-Winkler. Tot 1864 bleef het huis onveranderd en bestond in 1860 uit een hoofdgebouw en een zuidelijke aanbouw. Het huis bezat tegen de oostgevel een uitgebouwde serre. De tuin was al in de 19e eeuw veranderd in een landschapspark waarbij de oude kloostermuur werd afgebroken. In 1864 werd het huis verbouwd tot het huidige huis.

In 1923 werd het huis bij openbare veiling verkocht. Het werd gekocht door het kerkbestuur van de parochie van de Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming die er een kerk wilde bouwen: de Heilige Hartkerk.

In de vorige eeuw heeft het huis lang leeg gestaan, maar momenteel wordt het wel weer door huurders bewoond.

Naast het huis, zijn er nog de hardstenen palen van het vroegere toegangshek bewaard gebleven en een aantal bomen, die nu in de tuin van het ernaast gelegen huis (Oudwijkerlaan 47) staan.

Bewoners

  • 1663 - Gerard van Reede
  • ca 1780 - 1790 Hieronymus van Alphen
  • 1790 - Jacobus Verhoeff
  • 1830 - kostschool
  • 1923 - parochie van de Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming

Huidige doeleinden

  • Particuliere bewoning

Opengesteld

  • Niet toegankelijk

Bronverwijzing

  • Buitens binnen Utrecht
  • De Utrechtse wijken - Oost

Foto's © Albert Speelman 2017

@